Marc-Vincent Spanjersberg
Waarom moest het Zuidaskantoor €175.000 ontslagvergoeding betalen?
Het ging in deze kwestie om het volgende. Een senior kandidaat notaris was 6 jaar in dienst en had in 2023 nog een goede beoordeling en bonus gekregen. Er was wel kritiek op haar inhoudelijke functioneren. In de zomer van 2023 moest zij op de kamer van een partner gaan zitten. Vervolgens zijn wat verbeterpunten benoemd en werd zij er op gewezen dat ze te weinig declarabele uren had.
In april 2024 krijgt zij de beoordeling ‘needs improvement’ en wordt direct aangegeven dat er geen toekomst meer voor haar is bij het kantoor. Ze krijgt een vaststellingsovereenkomst aangeboden. De kandidaat notaris geeft aan het niet eens te zijn met de beoordeling, waar ook iedere onderbouwing bij ontbrak. Ze reageert niet op het beëindigingsvoorstel.
Dan volgt alsnog uitleg en wil het kantoor mediaten. Dit wilde de medewerkster niet, omdat het alleen maar om exit-mediation zou gaan. Het kantoor stopt dan de loonbetaling omdat de medewerkster niet aan mediation meewerkt en vraagt de kantonrechter om het dienstverband te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, dan wel op grond van disfunctioneren.
Omdat de medewerkster zelf ook niet terug wilde, ontbond de kantonrechter de overeenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Hierbij werd aan de kandidaat notaris een ontslagvergoeding van zo’n 175.000 euro bruto toegekend, waarvan 150.000 euro aan billijke vergoeding. Ook moest het loon vanaf de stopzetting, bij elkaar bijna 6 maanden, met verhoging van 25% worden doorbetaald. Dit omdat het Zuidaskantoor ernstig verwijtbaar had gehandeld door ‘de druk, om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst, op ongepaste wijze en in strijd met goed werkgeverschap, steeds verder is opgevoerd.’ De hele aanpak van het kantoor in deze zaak werd ernstig bekritiseerd door de rechter.
Ook met de kantoorculutuur was iets mis. De rechter: “Het is invoelbaar dat opmerkingen als: “dom” en “muts”, en het uitreiken van een muts als trofee onder bepaalde omstandigheden, die zich hier voordoen, niet passen binnen het goed werkgeverschap.”