Marc-Vincent Spanjersberg
Geen schending hoor en wederhoor
In het recht klinkt het vaak als een vanzelfsprekendheid: hoor en wederhoor. Toch blijkt in de praktijk dat dit principe wel eens onderwerp van discussie is. Een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden laat zien hoe rechters met dit beginsel omgaan.
De zaak in vogelvlucht
De zaak ging om een oudere vrouw, geboren in 1929, voor wie bewind en mentorschap was ingesteld vanwege haar dementie. De rechtbank benoemde twee dochters tot bewindvoerder en mentor. Een andere dochter, die al jarenlang de dagelijkse zorg op zich nam, verzette zich hiertegen en wilde zelf als mentor worden benoemd. Zij stelde dat zij in eerste aanleg onvoldoende gehoord was en dat daardoor het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden.
Het oordeel van het hof
Het hof erkende dat de betrokkene vanwege haar dementie zelf geen voorkeur kon uitspreken. Alle dochters waren betrokken, maar de communicatieproblemen van verzoekster in eerste aanleg met zorgverleners en familieleden gaven de rechtbank reden om haar niet te benoemen als mentor. Het gerechtshof bekrachtigde die beslissing en benadrukte dat de benoemde mentoren hun taken goed vervullen en de zorg centraal stellen.
Wat betreft de klacht over de schending van hoor en wederhoor, stelde het hof dat het hoger beroep ertoe strekt om eventuele tekortkomingen (omissies) in eerste aanleg te herstellen. Het rechtssysteem biedt dus voldoende waarborgen om dit fundamentele beginsel te respecteren, ook al is er eventueel iets fout gegaan. Verzoekster heeft met het instellen van hoger beroep dus geen belang bij haar klacht.
De bredere betekenis
Deze uitspraak laat zien dat stellingen omtrent de schending van hoor en wederhoor niet snel leidt tot aantasting van een uitspraak. Als een partij in eerste aanleg niet of minder is gehoord en hoger beroep instelt, is er dus geen sprake van de schending van hoor en wederdoor.