Marc-Vincent Spanjersberg
Toelating tot de schadestaatprocedure
De schadestaatprocedure is een aparte civiele procedure waarin uitsluitend de omvang van schade wordt vastgesteld, nadat in de hoofdzaak al is beslist dat er aansprakelijkheid kan bestaan. Het gaat dus niet meer om de vraag óf iemand aansprakelijk is, maar alleen om hoeveel schade er is geleden en moet worden vergoed.
De Hoge Raad heeft bepaald dat een zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen als is voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
De grondslag voor aansprakelijkheid staat vast – er moet duidelijk zijn dat de aangesproken partij juridisch verantwoordelijk kan worden gehouden voor de geleden schade.
De mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden – het hoeft niet vast te staan dat er daadwerkelijk schade is, maar dit moet wel voldoende aannemelijk zijn.
In deze zaak ging het om een werknemer die meende dat zijn pensioenadviseur en werkgever tekort waren geschoten bij de uitvoering van zijn pensioenregeling. Het hof had geoordeeld dat de pensioenadviseur niet onrechtmatig had gehandeld. De Hoge Raad corrigeerde dit: omdat de belangen van de werknemer nauw verbonden waren met de advisering, rustte er ook een zorgplicht jegens hem. Daarmee was de grondslag voor mogelijke aansprakelijkheid aanwezig.
Belangrijk is dat de Hoge Raad verduidelijkt dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure niet vereist is dat de schade al concreet is aangetoond. Het volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dit biedt ruimte voor verdere uitwerking in een aparte procedure, waarin de omvang van de schade kan worden vastgesteld.
Voor de praktijk betekent dit dat advocaten bij vorderingen tot schadevergoeding scherp moeten letten op deze twee pijlers. Indien zowel aansprakelijkheid als het bestaan van schade aannemelijk is, kan de rechter de zaak doorverwijzen naar de schadestaatprocedure. Een andere mogelijkheid is dat de schade door de rechter geschat wordt op basis van artikel 6:97 BW.