Marc-Vincent Spanjersberg
Geen wraking beslagrechter in bodemzaak
Wraking blijft een krachtig, maar vaak verkeerd begrepen instrument. Het biedt partijen de mogelijkheid om een rechter te laten vervangen wanneer er twijfel bestaat over diens onpartijdigheid. Maar wanneer is die twijfel nu écht gerechtvaardigd?
Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een wrakingsverzoek behandeld. In deze zaak vroeg een bedrijf om wraking van een rechter die zowel in de hoofdzaak als in een eerdere beslagprocedure betrokken was. Volgens het bedrijf had de rechter in die beslagprocedure al een inhoudelijk oordeel gegeven over de hoogte van de schadevergoeding, en zou hij daardoor niet meer onbevangen naar de hoofdzaak kunnen kijken.
De wrakingskamer ging daar niet in mee. Het verlenen van verlof voor conservatoir beslag is namelijk een summiere toets: de rechter kijkt alleen of de vordering voldoende is onderbouwd om beslag te mogen leggen. Er wordt niet inhoudelijk beoordeeld of de vordering terecht is, laat staan of het genoemde schadebedrag klopt. Dat oordeel hoort thuis in de hoofdzaak, waar beide partijen volledig worden gehoord.
De wrakingskamer benadrukte dat het heel normaal is dat een rechter in verschillende fases van een zaak betrokken kan zijn. Dat levert op zichzelf geen schijn van partijdigheid op. Alleen wanneer een rechter in een eerdere fase zó ver vooruitloopt op de inhoudelijke beoordeling dat zijn latere oordeel niet meer open lijkt, kan wraking eventueel slagen. Daar was hier geen sprake van.
Deze uitspraak onderstreept hoe belangrijk het onderscheid is tussen een voorlopige beoordeling en een inhoudelijke beslissing. Het helpt ook om realistische verwachtingen te houden: wraking is geen middel om een onwelgevallige rechter te vervangen, maar een waarborg tegen echte, objectief gerechtvaardigde vooringenomenheid.